KAPELLE CATERINA VON SIENA
ASTENET

APRIL 2026 | Lontzen is de zolder van Ostbelgien. Zijn kernen Rabotrath, Walhorn, Merols en Astenet beloven al in hun naam dat wat achteloos onder spreekwoordelijk dakgebinte werd weggezet, er mettertijd iets wonderlijks wordt.

Het heeft lang geduurd voor ik het spoor vond van de Eupense industrieel Jean Emil Wintgens. Het is de enige reden waarom ik niet eerder bij dit kleine heiligdom in Astenet uitstapte.

Wintgens had bij leven iets met kerkhoven. Hij werd steenrijk met de fabricatie van gietijzeren grafkruizen voor de stedelijke happy few en bezocht in 1963 het graf van Catharina van Siena. De geïnspireerde ondernemer vatte het plan op de Italiaanse mystica ook dicht bij huis een plaats te geven. Hij gaf de architecten Émile-José Fettweis uit Verviers en André Blank uit het naburige Raeren de opdracht om buiten Astenet een bedevaartkapel te bouwen.

Geloven deed men in die tijd niet meer met grootse gebaren, in 1968 startte de bouw van de intieme kapel. Blank en Fettweis tekenden later ook de ontmoetingsplaats, de crypte en het voorplein, die in de vroege jaren 1980 aan de site werden toegevoegd.

De gebouwen in beton, metaal en glas resoneren verstild in de groene omgeving. Geen toren die hemelwaarts reikt, wel een sierlijke boogvormige nis met een glazen vloer die het licht de kapel binnenleidt. Ook het recentere gebouw blijft trouw aan dezelfde eenvoudige materialen. Het hellende dak en de opvallende, roestbruine assen van de gigantische schelp versterken de focus op het betonnen voorplein met de fontein.

Deze plek is zoals Duitstalige Belgen ten voeten uit zijn: koppig en integer.

In de kelder bevindt zich een brutalistische crypte op een vierkant grondplan, verlicht door een schacht die als een kubistische periscoop uit het achterliggende gazon oprijst.

Ik ga zitten op een van de ongemakkelijke stoelen in de gebedsruimte. De grote lintramen laten het daglicht rijkelijk over de stenen vloer stromen. Een San Damiano-kruis, een alledaagse tafel die als altaar dienstdoet, een bescheiden Mariabeeld en enkele heiligenschilderijen: spiritualiteit ontstaat hier niet uit gotische pathos, maar uit de gulle dimensies waarin buiten en binnen naadloos in elkaar overvloeien. Het sobere materialengebruik was voor de architecten geen stijloefening, maar een houding: een vorm van eerbied.

Blank was er als Duitstalige kunstenaar in België zijn leven lang toe veroordeeld zich een plaats te bevechten tussen talen, identiteiten en verwachtingen. Toen hij deze site mee ontwierp, werd hij stilaan beschouwd als een grote naam van de naoorlogse kunst in België. Die erkenning maakte hem niet triomfalistisch, integendeel: hij richtte zich steeds meer op de menselijke maat. Deze plek draagt onmiskenbaar zijn signatuur, zoals Duitstalige Belgen ten voeten uit zijn: koppig en integer.

Er ligt hier iets besloten van die terughoudendheid: een bestaan dat zich niet opdringt, maar aanwezig blijft. Clara's radicale eenvoud is hier vertaald in lijnen en materialen, in een ruimte die zich terughoudt en hierdoor des te meer aanwezig is.

Misschien is het geen toeval dat uitgerekend Blank zich over deze plek ontfermde. Alsof hij dicht genoeg bij de geest van Clara van Siena stond om haar een onderkomen te geven. Het is verleidelijk ervan uit te gaan dat Blank hier niet zozeer een heiligdom ontwierp, maar een houding vormgaf die hij met haar deelde: stil, onwrikbaar en onttrokken aan het oog van wie niet echt kijkt.