
SCHERERWINKEL
EUPEN
JULI 2026 | Handel is de beste stedenbouwkundige. Niets wees erop dat Eupen ooit de grandeur zou verwerven waarmee de stad vandaag nog pronkt. Het begin was weinig ophefmakend: vanaf de 14de eeuw leefden uit Brugge en Gent geëmigreerde lakenmakers hier van kleinschalige textielproductie. Bovendien was Eupen tot halverwege de 17de eeuw politiek en juridisch ondergeschikt aan het landelijke Baelen, een bestuurlijke erfenis uit de Frankische tijd.
Tegen de 17de eeuw was Eupen die afhankelijkheid ontgroeid. De economische bloei maakte de oude machtsverhoudingen steeds moeilijker houdbaar, waarop de breuk met de Hoogbank Baelen volgde. Eupen ontwikkelde zich tot een commerciële parel binnen het hertogdom Limburg en verwierf eigen stadsrechten.
Die opgang had de stad te danken aan de ondergang van Aken, nauwelijks 20 kilometer verderop. Toen Aken in 1656 in lichterlaaie stond en religieuze twisten de hoofdzakelijk protestantse ondernemers verdreven, grepen de Limburgse hertogen hun kans. Ze lokten de lakenfabrikanten naar Eupen met een uitzonderlijk aanbod: militaire bescherming en godsdienstvrijheid. De kalkarme Stadtbach, Gospertbach, Weser en Hill leenden zich uitstekend voor het wassen en verven van wol.
Het Spaanse koningshuis voegde hier later nog privileges aan toe: fabrikanten mochten kosteloos hout uit het Hertogenwoud halen voor de bouw van wind- en watermolens en genoten tolvrije invoer van de fijnste Spaanse merinowol.
Handenarbeid is hier nooit verdwenen. Op deze verstilde plek kreeg Eupen vorm, in het geduld van handen die een stof gladstreken.
In de 17de en 18de eeuw waren 4 op 5 Eupenaars afhankelijk van wol en lakenproductie. In de Oostenrijkse 18de eeuw beleefde de Eupense textielindustrie haar gouden eeuw. Koopmansfamilies als Grand Ry, Rehrmann-Fey, Mennicken, Thymus-Gade en Görtz-Fey lieten de Akense architecten Couven, Mefferdatis en de Italiaan Moretti statige patriciërhuizen en stadspaleizen ontwerpen die qua prestige wedijverden met die in Brugge en Gent. Langs Werthplatz, Klötzerbahn, Kaperberg, Gospertstraße en Haasstraße ratelden de koetsen van de aristocratie naar rijkelijke banketten in prachtige, met wandtapijten versierde zalen. Arbeiderskinderen vergaapten er zich aan de zijde en het fluweel waarvan hun bestaan afhankelijk was.
Vorstenhuizen en de adel in Midden- en West-Europa, tot in Rusland, Indië en het Verre Oosten, zwoeren bij Eupens laken. De haven van Antwerpen dreef in niet geringe mate op deze textielhandel; door de Scheldeblokkade vanaf 1585 weken de Eupense kooplieden noodgedwongen uit naar Amsterdam en Rotterdam voor de intercontinentale verscheping van het kostbare textiel. Onder Frans bewind, vanaf 1794, bereikte de productie haar hoogtepunt. De Continentale Blokkade sloot Engels textiel uit en het Franse leger plaatste omvangrijke bestellingen.
Na Napoleons nederlaag keerde het tij. Meer dan de Pruisische en na 1918 Belgische annexatie maakte de industriële revolutie een einde aan de bloei. De onrust die vanaf 1816 ontstond met de eerste opstanden van de doekscheerders verergerde de economische crisis en leidde tot meer armoede. De Benedenstad draagt nog altijd de sporen van het failliet van de Eupense textielindustrie. De laatste kamgarenfabriek sloot haar deuren in 1989.
Achter een sierlijk 18de-eeuws koopmanshuis in de Kirchstraße verschuilt zich de enige overgebleven Schererwinkel. De in 1713 door fabrikant Peter Sterman rond een binnenkoer gebouwde ateliers vergemakkelijkten het toezicht op de arbeiders. Hier scheerden ook kinderen de opstaande vezels van geweven lakens zorgvuldig weg, tot de stof haar vermaarde glans kreeg. Al een halve eeuw lang komen Eupenaars zich hier artistiek vervolmaken: handenarbeid is hier nooit verdwenen. Op deze verstilde plek kreeg Eupen vorm, in het geduld van handen die een stof gladstreken. Hier condenseert de geschiedenis zich in een schaar, een houten werkbank en een lichtstraal door een kier in het vakwerk.
