AM SCHLOSSBERG
OUREN

MAART 2024 | Het einde van de wereld draagt een naam: Ouren. Vanuit België leidt er slechts één weg, met moeite twee auto's breed, naartoe. In de winter kan de zon de majestueuze heuvels nauwelijks bedwingen: de blauwe hemel contrasteert dan staalhard met de diepgroene sparrenwanden en de spierwit bevroren oevers van de Our. In de zomer ligt de smalle weg onder lichtgroene bomenkruinen er onvervalst bij als een Franse route départementale, meanderend met de in gul licht tintelende rivier. Het einde van België nadert, Duitsland duikt op de linkerflank op, aan het eind van het dal lonkt het Groothertogdom Luxemburg.

Ondanks zoveel vervoering ontgoochelt de aankomst in Ouren nooit. In de jaren 80 en 90 boekten mijn ouders er elke herfstvakantie een midweek. Grégoire zag eruit als het cliché van de versleten gewerkte, op zichzelf aangewezen grijsaard die elke avond zijn kruk in de hotelkroeg kwam bezetten. Met verschoten overal en obligate sigaarstomp wereldberoemd in de kleine gemeenschap van 120 zielen, bezat hij de bijzondere gave mijn gereserveerde vader een enkele keer een te lange avond op toogpraat te trakteren.

Aan de rand van het kleine kluwen centrumstraatjes woonde en schilderde de zwijgzame Roger Greisch. De herfstwind dunde het gebladerte tegen de gevel van zijn woning uit, waardoor het fraaie gevelvakwerk de verdere wintermaanden tevoorschijn kwam. Grégoire en Greisch: twee protagonisten uit een tijd waarin Ouren voorbestemd leek er voor altijd als een prentkaart uit te zien. Zelfs Google weet dat Greisch zijn laatste penseelstreek in 1999 trok, Grégoires afscheid was geruislozer.

Eind 2023 werd het Jahrbuch Ouren voorgesteld. Vroeger zou zo'n dorpskroniek de pennenvrucht van de plaatselijke leraar of apotheker op rust geweest zijn. Dit 450 pagina's dikke collectief geheugen is van de hand van een dozijn inwoners.

Zoals Vlamingen vandaag geruststelling vinden in oma's theeservies en vergeten groenten herontdekken, gaan de Ostbelgier nieuwsgierig op zoek naar het oude verhaal van de eigen straat, de school, markante dorpsfiguren. Het is een heuse queeste: de voorbije eeuwen hebben weinig sporen achtergelaten. Trouwregisters en kadasterdocumenten geven hooguit verspreide hints om het verleden in kaart te brengen.

De helft van het dorp staat te koop, ook mijn kindertijd heeft een prijs: voor net geen miljoen is het hotel van weleer te krijg.

Dit Jahrbuch misleidt: dit is een requiem. Eenmaal hun diploma op zak, keren jongeren liever niet meer terug naar deze godvergeten vallei. De helft van het dorp staat te koop, ook mijn kindertijd heeft een prijs: voor net geen miljoen is het hotel van weleer te krijg. Luxemburgse makelaars prijzen de woningen van hun overleden bewoners in het Nederlands en het Engels aan. Jonggepensioneerde Nederlanders en Vlaamse schrijnwerkers knappen de dorpshuizen op en verhuren ze onder namen, niet zelden ontleend aan Provençaalse gîtes, en hier dus volstrekt wereldvreemd.

De foto toont Grégoires vroegere woonst, die de kleine straatjes 's avonds steevast in onvergelijkbare schoorsteungeur hulde. Op de banner kondigt een Vlaams koppel aan de onderkomen hoeve klimaatneutraal te vertimmeren tot een toeristische beleefplek.

In mijn verbeelding begroeten Grégoire en Greisch elkaar onder spaarzame straatverlichting, zoals het altijd was: een gesmoorde blijk van herkenning, een vriendelijk tikje tegen de pet. De ene op weg naar zijn kruk, de andere even weg van zijn atelier. Allebei voor altijd hier: het wezen van een gemeenschap wissen de jaren niet zomaar uit.